De tweede secretaris heeft een nieuw e-mail adres, dit luidt: n.vandam@nioo.knaw.nl
In verband met zwangerschapsverlof (november 2002 tot februari 2003) is het
ledensecretariaat de komende tijd het best via e-mail te bereiken. U wordt allen
verzocht wijzigingen tijdig en bij voorkeur via bovenstaand e-mail adres
door te geven.
- Een kort verslag door Wilfried H.O. Ernst -
Bij schitterend zomerweer hebben wij drie prachtige excursiedagen beleefd om de vegetatie op het westelijke deel van Texel kennen te leren kennen. Bij het boswachterhuisje aan de Mokbaai op de laatste excursiste wachtend, konden wij genieten van Lepelaars, Blauwe en Bruine kiekendieven. Eén van de terreinbeherders vertelde ons dat de hoge waterstanden in de Horst het broedareaal van de Blauwe kiekendief zeer negatief beïnvloeden. De Hors zelf is op het ogenblik het fraaiste kustgebied in Nederland waar natuurlijke duinvorming plaats vindt. De hoge dynamiek van instuivend zand heeft een grote variatie van primaire en secundaire duintjes laten ontstaan. Onder het kale zand van kleine duintjes heeft zich een mooie dieptegradiënt met cyanobacteriën ontwikkeld. Waar op het wintervloedmerk veel organisch materiaal afgezet is handhaven zich grote populaties van Zeepostelein en kleine aantallen van Zeeraket en Loogkruid. Steeds achtervolgd door de grootste roofvlieg in Nederland, Asilus crabroniformis, klommen wij snel over de wat grotere duintjes tot de voet van het eerste grote duin met jonge kleine duinvalleitjes. De hoogte van het winterhoogwater heeft voor een mooie zonering van de duinvalleiplanten gezorgd, met Strandduizenguldenkruid aan de bovenrand, Parnassia, Sierlijke vetmuur, Knopbies, en Dwergzegge op de nog vochtige plekken en op lang overstroomde bodem Gewone waterbies. De eerste grote duinvallei van de Kreeftepolder had zo'n hoge waterstand dat wij hem blootvoets moesten doorlopen. Wel was mooi te zien dat de reeds meer dan één jaar durende hoge waterstand de ontwikkeling van Kranswieren en Veenwortel positief, daarentegen het overleven van Parnassia en Moeraswespenorchis negatief beïnvloedt. Slechts Waterpunge lijkt minder hinder van de permanente overstroming te hebben. In de Horspolder is de verruiging sterk toegenomen en zijn populaties van Parnassia, Moeraswespenorchis, Vleeskleurige orchis en Geelhartje en Dwergvlas in vochtige duinvalleien gemarginaliseerd. Nieuwe vestiging van Parnassia en Moeraswespenorchis was te zien tot in de droge duingraslanden met Cladonia's en winterannuellen.
Op de tweede dag was eerst de Slufter aan de buurt. Aan de duinvoet had één
van de laatste vloeden blijkbaar een gedeelte van de Strandhaverzone van voedsel
voorzien, zodat een "bemeste" donkerblauwgroene zone met Spies- en
Strandmelde zich prachtig afzette tegen een onbemest bleekgroen tapijt. De optimale
bloeiperiode van Lamsoor was weliswaar voorbij, maar de vegetatiemozaïeken
met het betacyaanrood van de Zeekraal, het grijs van Zeealsem en de diverse
groene kleuren van zeggen en grassen gaven een zeer goede indruk van de milieugradiënten
van deze Slufter. Een aantal Heivlinders, Hooibeestjes en Icarusblauwtjes demonstreerde
ons competitief bloembezoek. Opvallend was de sterke aantasting van Knopbies
nootjes door larven van het Knopbiesmotje en de vele gallen onder de bloeiwijzen
van Zeewegbree, veroorzaakt door larven van de snuitkever Mecinus collaris.
's Middags heeft een lange wandeling door de duinen van de Vlakte ons de hoge
diversiteit aan duingraslanden (met speciale informatie over korstmossen door
Rita Ketner-Oostra) en duinstruwelen getoond. Vanuit de Bertusknol hadden wij
een prachtig uitzicht op de Muy. De weg rond om de plassen van de Muy en de
Buitenmuy liet ons andere aspekten van dit duingebied zien. De hoge eutrofiëring
van het water van de Buitenmuy door ganzen heeft de vegetatie met de Stijve
moerasweegbree en Oeverkruid sterk teruggedrongen. Met de vangst van de zweefvlieg
Anasimyia lineata hebben wij de eerste recente waarneming op een waddeneiland
gedaan.
De derde dag was bestemd voor een reeks van bostypen. De meeste bossen op Texel
zijn weliswaar aangeplant; toch is intussen een veelheid van bostypen ontstaan:
Arme droge dennenbossen, duineikenbossen met een hoge variatie van ondergroei
in afhankelijkheid van water- en lichtvoorziening, Esdoornbossen met goed ontwikkelde
houtafbrekende paddestoelen en natte Elzebroeken. Het vermelden waard was de
ontdekking van mooie vruchtlichamen van de Kopergroene bekerzwam op groen gekleurd
eikenhout door Chris Bakker. Daarentegen waren niet veel vruchtlicheamen van
mycorrhiza-paddestoelen te vinden. Iedereen heeft van zeer geslaagde excursiedagen
genoten met een veel variatie van flora en fauna.
-door Jan Schel-
Op 27 september j.l. werd in het congrescentrum "de Werelt" te Lunteren
de Hugo de Vries prijs uitgereikt aan dr. Renier van der Hoorn. De prijs is
een gezamenlijk initiatief van de Koninklijke Nederlandse Botanische Vereniging
en de Stichting Hugo de Vries Fonds. Ze wordt uitgereikt aan degene die in het
jaar voorafgaand aan de uitreiking het, naar het oordeel van een onafhankelijke
jury, beste Nederlandse proefschrift op botanisch gebied met succes verdedigd
heeft .
Uit de voorgedragen proefschriften werd "The Cf-4 and Cf-9 resistance proteins
of tomato: molecular aspects of specificity and elicitor perception " door
Renier van der Hoorn (leerstoelgroep Fytopathologie, Wageningen Universiteit
; promotor prof. dr. ir. P.J.G.M. de Wit, co-promotor dr.ir. M.H.A.J. Joosten)
geselecteerd. Bij de uitreiking van de prijs, inhoudende een oorkonde en een
geldbedrag van 5000 euro, roemde de voorzitter van de jury, prof.dr. G.J.Wullems,
de heldere stijl en hoge inhoudelijke kwaliteit, o.a. tot uiting komend in de
opname van een groot aantal hoofdstukken in gerenommeerde botanische tijdschriften.
Ook de vormgeving van het boekwerk oogstte lof, die de laureaat overigens middels
een bos bloemen sportief met zijn zus deelde.
In zijn lezing, aansluitend op de prijsuitreiking, ging Renier in op de diverse
onderwerpen in zijn thesis. Het werd een boeiend betoog, begrijpelijk voor een
breed publiek en gelardeerd met vele fraaie cartoons. Het werd allengs duidelijk
dat hier een terechte prijswinnaar stond. Een geanimeerde receptie besloot deze
geslaagde middagvergadering van de KNBV, die in het kader van het 10-jarig jubileum
van het NIBI georganiseerd was.
Het bestuur van de Vereniging kondigt met veel genoegen aan dat er met ingang
van heden proefschriften voor mededinging naar de Hugo de Vriesprijs kunnen
worden ingezonden. De Hugo de Vries-prijs wordt in nauwe samenwerking met de
Stichting Hugo de Vries-Fonds uitgereikt aan de auteur van het beste proefschrift
op botanisch gebied dat aan een Nederlandse universiteit in het jaar 2002 is
verdedigd. De prijs bestaat uit een oorkonde, € 5000,- en een receptie.
Het prijsbedrag wordt geacht ten goede te komen aan het onderzoek of de opleiding
van de winnaar. De indieningtermijn sluit op 20 december 2002. Het NIBI organiseert
de logistiek van de beoordeling en prijsuitreiking. Inzendingen door de promotor
of co-promotor, in 5-voud en voorzien van een gemotiveerde voordracht, dienen
te worden gericht aan het NIBI-bureau, waar ook het reglement is op te vragen
(NIBI, o.v.v. "voordracht Hugo de Vries-prijs", Nicolaas Beetsstraat
222, Postbus 8616, 3503 RP Utrecht; e-mail: nibi@nibi.nl).
De bekendmaking van de winnaar zal plaatsvinden op de eerstvolgende jaarvergadering
van de KNBV, terwijl voor de uitreiking een wetenschappelijke vergadering wordt
georganiseerd.
Ook dit jaar stelt de Koninklijke Nederlandse Botanische Vereniging (KNBV) weer subsidies ter beschikking in het kader van het Fonds Stipendium Bottelier. Dit fonds is ingesteld om de onderzoeksmogeljkheden door jonge leden van de KNBV te vergroten. Als onderwerp van studie kunnen alle gebieden van de Botanie gekozen worden, waarbij zowel onderzoek, de scholing hierin, en de verspreiding van onderzoeksresultaten voor subsidie in aanmerking komen. Het KNBV-bestuur zoekt met name originele onderzoeksprojecten, uitgevoerd door studenten, jonge onderzoekers of amateurbotanici.
De subsidie per project is in de regel niet hoger dan € 2500,-. Er kunnen meerdere aanvragen per jaar gehonoreerd worden. De toe te kennen stipendia zullen door het bestuur van de KNBV worden geselecteerd en bekend gemaakt op de jaarvergadering. Na afloop van het project wordt een kort verslag gevraagd o.a. voor eventuele verslaglegging of publicatie in Bionieuws.
Voor mededinging naar de stipendia dient een korte projectomschrijving (max. 3 A4) en een verantwoording voor het bedrag van het aangevraagde stipendium vóór 1 februari 2003 te worden ingestuurd naar de eerste secretaris van de KNBV. Hier is ook nadere informatie betreffende de reglementen verkrijgbaar. Adres: Eric Visser, Leerstoelgroep Experimentele Plantenecologie, Katholieke Universiteit Nijmegen, Toernooiveld 1, 6525 ED Nijmegen.
-naar aanleiding van de brief van A.D.J Meeuse-
Naar aanleiding van mijn oproep in de vorige nieuwsbrief, ontving ik een prachtige, met de hand geschreven brief van Dhr. A.D.J Meeuse uit Egmond aan Zee waarin hij een lans breekt voor het bestuderen van bloembiologie en bestuivers. Gezien de lengte van zijn brief, was ik genoodzaakt zijn betoog t.b.v. de Nieuwsbrief de meest interessante punten uit zijn brief samen te vatten.
Dhr. Meeuse is "beroeps"-plantkundige, zoals hij het zelf in zijn
brief aangeeft en probeert hier zowel met zijn schrijven alle leden van de KNBV
te interesseren voor de floristiek oftewel de bloembiologie. Hij beargumenteert
dat, ondanks het feit dat de bloembiologie als sinds 1860 in de belangstelling
staan, er 'nog wel iets te ontdekken valt'. Nog ongepubliceerd Gronings onderzoek
heeft uitgewezen dat de bestuiving van de Gewone Helmbloem geschiedt door wespen,
maar of andere leden uit dezelfde familie ook door wespen bestoven worden is
de vraag. Ook van andere inheemse plantensoorten is de bestuiving slecht bekend.
In zijn brief noemt dhr. Meeuse de Egelskoppen, zoals de Grote Egelskop, Sparganium
erectum, de lisdodde en de kalmoes. De laatste zet, naar verluidt, nooit zaad,
maar hij vraagt zich of deze observatie juist is. Vaak kan uit de gelijkenis
van de bloemen van verschillende soorten worden afgeleid dat beide dezelfde
bestuivers aantrekken. Deze stelling, die omtrent 1960 door Dafni is geponeerd,
wordt onderbouwd door observaties aan de bestuivers van het rode bosvogeltje
(Cephalantera rubra) en het klokje (Campanula). Het reflectiespectrum van deze
bloemen lijkt zoveel op elkaar dat zij beiden bestoven worden door het foeragerende
bijtje Andrena campanularum ( - what's in a name? Zoals Dhr. Meeuse terecht
opmerkt). Dhr. Meeuse besluit zijn brief met de opmerking dat er al met al nog
veel te ontdekken is op dit gebied en spoort ons allen aan onze bevindingen
te publiceren. Daarbij noemt hij een aantal soorten die volgens hem bijzondere
aandacht behoeven, zoals bijvoorbeeld wolfsmelk soorten (Euphorbia), walstrosoorten
(Galium), bremraap en duizendguldenkruid. Misschien brengt dit iemand op een
idee om een onderzoekje te doen dat gefinancierd kan worden door het Stipendium
Bottelier?