Leden van de KNBV organiseren elk jaar een botanische excursie in Nederland of een nabij buitenland. Er wordt op deze excursies niet alleen aandacht besteed aan het determineren van plantensoorten, maar ook aan de ecologische relaties van planten met hun omgeving. Natuurlijk wordt er ook gekeken naar andere organisme, zoals insecten en vogels. Kortom, de excursies zijn een leuke manier om in een mooie omgeving wat meer op te steken van de botanie en alles wat er mee samenhangt.
Voor het laatste nieuws op het gebied van excursies: zie nieuwsbrief.
Buitenlandse excursie 22-24 juni 2007
Door H. Duistermaat
De buitenlandse excursie ging dit jaar naar Niedersachsen en Sachsen Anhalt Duitsland) en telde elf deelnemers. We verbleven in een vriendelijk dorpshotel nabij Alfeld (ten zuiden van Hildesheim), op een afstand van ongeveer 400 km van Utrecht. De excursies werden uitmuntend geleid door drie Duitse botanici, E. Garve, H. Hofmeister en H.-U. Kison. We hebben geproefd van de grote verscheidenheid aan terreinen in Sieben Berge (bij Wrisbergholzen en Eimsen), Harz (Sonneberg) en Sachsen Anhalt (Harslebener Hinterberge). In Sieben Berge bezochten we akkeronkruidreservaten met veel Wilde ridderspoor, kalkgraslanden met onder andere verschillende soorten orchideëen en bossen op kalkrijke bodem. In de Harz hebben we graslanden (skipistes) op zure bodem met verschillende soorten Wolfsklauw bekeken. In de regenschaduw van de Harz in voormalig Oost-Duitsland bezochten we Trockenrasen met een grote verscheidenheid aan steppensoorten (zoals vier soorten Stipa) die hier hun noordwestgrens bereiken. Totaal zijn in drie dagen tijd ruim 460 soorten gezien. Hiervan staan er ruim 100 op de Nederlandse Rode Lijst en bijna 50 zijn nooit in Nederland waargenomen. Ruim 90 van de waargenomen soorten staan op de Rode Lijst van Niedersachsen en Bremen.

Interesse om ook eens deel te nemen aan de excursie? Mocht u volgend jaar deel willen nemen aan de excursie, neem dan contact op met Leni Duistermaat (duistermaat@nhn.leidenuniv.nl)
Aan de excursie namen zes personen deel. De excursie begint bij regenachtig weer in het Haaksbergerveen. Een gedeelte van dit voormalige hoogveengebied wordt gerestaureerd. Van de door Staatsbosbeheer verleende vergunning voor het bezoeken van deelgebieden buiten de weinige paden kunnen wij vanwege de aangelegde diepe greppels nauwelijks gebruik maken. Toch is er aan de rand van de paden en turfgaten nog voldoende te zien van de grote verscheidenheid van vegetatietypen (Foto 1).

Foto 1. Herstellend hoogveen in het Haaksbergerveen.
In het open water van petgaten groeien enkele individuen van de Witte waterlelie (Nymphaea alba) en Duizendknoopfonteinkruid (Potamogeton polygonifolius), in andere turfgaten Klein blaasjeskruid (Utricularia minor). In het regenererende hoogveen staan grote populaties van Witte snavelbies (Rhynchospora alba), Veenpluis (Eriophorum angustifolium), Eenarig wollegras (Eriophorum vaginatum), Kleine zonnedauw (Drosera intermedia) en Ronde zonnedauw (Drosera rotundifolia). Langs paden groeit her en der Klokjesgentiaan (Gentinana pneumonanthe) en een beetje Heidekartelblad (Pedicularis sylvatica). De competitie van Klokjesgentiaan met Dopheide (Erica tetralix), Tormentil (Potentilla tormentilla), Trekrus (Juncus squarrosus) en Gewoon struisgras (Agrostis capillaris) is blijkbaar hoog omdat weinig jonge planten te zien zijn. Opvallend was het sterke verval van bloeiwijzen van een reeks van Rus-soorten, vooral van Pitrus (Juncus effusus) met kokertjes van larven van een Zakmotje (Coleophora spec.). Door begrazingsbeheer wordt de ontwikkeling van Pijpenstrootje (Molinia caerulea) in de droge soortenarme Struikhei (Calluna vulgaris) voldoende in de greep gehouden. Door het natte weer in augustus was in het soorten-arme Eiken-Berkenbos reeds een aanzienlijke hoeveelheid paddestoelen aanwezig. Als bijzondere soort is de Vermiljoenhoutzwam (Pycnoporus cinnabarinus) op rottende berkenstammen te noemen.
In de middag bezochten wij bij volop zonneschijn het Buursermeertje en het Buurserzand. Van het open water naar de westkant van het meertje is een voortreffelijke vegetatiezonatie aanwezig. In het open water heeft zich de watervorm van de Knolrus (Juncus bulbosus) ver uitgebreid. In het lage gedeelte van de overstroomde oever staat een groot bestand van Snavelzegge (Carex rostrata). Op meer open plekken met veel ijzerkwel is veel Kleine zonnedauw en in mindere mate Ronde zonnedauw. Een kleine populatie van Moeraswolfsklauw (Lycopodiella inundata) blijft op de ijzerarme oeverzone beperkt. Op de voormalig geplagde delen is een vochtige heide ontstaan met Dopheide, Pijpenstrootje, Klokjesgentiaan, Zompzegge (Carex curta), Beenbreek (Narthecium ossifragum), Veenpluis, Gevlekte orchis (Dactylorrhiza maculata), Veenbies (Trichophorum cespitosum), Bruine snavelbies (Rhynchospora fusca) en Witte snavelbies.
In een ander perceel met een grootschalig plagexperiment staat op de nog relatieve open grond alleen veel Kleine zonnedauw als pioniersoort en op de niet geplagde grond Gagel (Myrica gale). Zolang de waterstand in de winter niet te hoog wordt, kan de ontwikkeling van de vochtige heide met alle kenmerkende soorten voorspoedig verlopen. Met een van de boswachters van Natuurmonumenten die onze vergunning controleerde hebben wij nog over de verschillende vormen van grootschalig en kleinschalig plaggen en het tijdstip van plaggen van gedachte gewisseld. In het aanpalende gebied van het Buurserzand wordt de hogere zandgrond bedekt met grote populaties van Struikhei en enkele bosjes met Jeneverbes (Juniperus communis). Het gebied wordt nu begraasd om opslag van berken en eiken tegen te gaan. In kleine vochtige verdiepingen staan tussen de Dopheide grote plukken van Veenbies.

Foto 2. Excursiedeelnemers op de droge hei van de Buurserzand.
De volgende dag zijn de Bergvennen bij Lattrop het excursiegebied. Hier heeft in de jaren 1993 en 1994 een groot herstel van een meertje plaats gevonden met als resultaat het ontstaan van de grootste populatie van Waterlobelia (Lobelia dortmanna) in Nederland. De door Landschap Overijssel verleende vergunning gaf ons de mogelijkheid alle interessante plekken in dit schitterende gebied op te zoeken. Het meertje laat drie gebieden met kenmerkende plantensoorten resp. plantengemeenschappen zien. De populatie van Waterlobelia heeft zich vooral op de door golfslag schoongespoelde oostelijke oever ontwikkeld (Foto 3). Door de tegenwoordig lage waterstand is de vraatschade (vermoedelijk door reeën) aan bloeiwijzen van de toch al kleine planten zeer groot. De vraatschade aan bloeiwijzen neemt dichter bij het water af. Als stuifmeelconsument van Waterlobelia is een exemplaar van een Driehoekszweefvlieg (Melanostoma spec.) waargenomen. In het water van zuidelijk gedeelte van het meertje groeien Gesteeld glaskroos (Elatine hexandra), Drijvende egelskop (Sparganium angustifolium) en Pilvaren (Pilularia globulifera). Op de noordelijke oever is een soortenarme plantengemeenschap van de Veelstengelige waterbies (Eleocharis multicaulis) ontwikkeld.

Foto 3. Een blik over de Waterlobelia populatie bij de Bergvennen.
Op de oever van het meertje en op andere vochtige plekken staan Kleine zonnedauw, Moeraswolfsklauw, Klokjesgentiaan en Bruine snavelbies. Op het hoogste gedeelte van de oever heeft zich een kleine populatie van Oeverkruid (Litorella uniflora) gevestigd kort voor een grote zone met Pijpenstrootje.
In een vegetatie met Dophei, Struikhei en Kraaihei (Empetrum nigrum) waren de Honingbij (Apis mellifera) en de Doodskopzweefvlieg (Myathropa florea) dominante bloembezoekers. Het grote aantal Doodskopzweefvliegen is een uitzonderlijke situatie voor droge heidevegetatie, maar is door de aanwezigheid van een gunstig milieu voor de larven van deze zweefvlieg te verklaren.
Afsluitend is te constateren dat de beheersvormen succesvol zijn. De populaties van bijzondere plantensoorten hebben zich goed hersteld. Het waren twee geslaagde excursiedagen, met dank aan Ruud van der Meijden voor het bijhouden van de soortenlijsten en Mauk Driessen voor de foto's.
Bij redelijk zomerweer hebben wij met 16 deelnemers diverse vegetatietypen in het Sauerland (D) bezocht, zoals gebieden met een natuurlijk overmaat aan zware metalen, kalkgraslanden, montane kwelvegetatie, en loofbossen. Nagenoeg alle botanisch aantrekkelijke gebieden vallen in Nordrhein-Westfalen onder het natuurbeschermingswet (Natuurschutzgebied = NSG) en zijn niet door wegen voor het publiek opengesteld; het kostte enige moeite om de vergunningen te verkrijgen. Ruud van der Meijden noteerde alle door ons waargenomen 330 plantensoorten waarvan in Nederland 56 heel zeldzaam zijn en 20 niet voorkomen.
Zware metalen vegetatie
Het NSG "Bleikuhle" bij Blankenrode is een al in de middeleeuwen
uitgegraven ertsgangmijn
(foto 1) met afvalhopen van de vroegere ertsverwerking in de buurt. Dit gebied
is om twee
redenen zeer interessant: (1) Het is de enige groeiplaats in de wereld van
het Paars
zinkviooltje (Viola guestphalica) en laat de effecten van de variatie in
metaalconcentraties van
de bodem op de samenstelling van de flora zien. (2) Het fysiologisch en genetisch
onderzoek
van metaal-resistentie van planten is meer dan 50 jaar geleden hier begonnen.
Het was goed
te zien hoe de variatie van de metaalconcentratie van de bodem de samenstelling
en
ontwikkeling van de vegetatie bepaalt. Op plekken met een heel hoog cadmium-
en
zinkgehalte is de bodem weinig begroeid met Minuartia
verna en Silene vulgaris als
pionierplanten. De zaadproduktie van de Zink-Blaassilene wordt door het afvreten
van
bloeiwijzen door de larven en de kever van het 24-stippelige lieveheersbeestje
(Subcoccinella
24-punctata) en door de zaadpredatie van twee Silene-uiltjes (Hadena
confusa,
Hadena
bicruris) sterk belemmerd, maar door de lange levensduur van de plant blijft
toch nog
voldoende zaad beschikbaar om af en toe voor een verjonging van de populatie
te zorgen.
Waar het metaalgehalte van de bodem minder hoog is, kunnen zich in en om
de pollen van
Zinkschapengras (Festuca ovina subsp. ophioliticola) zink- en cadmium-resistente
ecotypen
van Campanula rotundifolia, Euphrasia stricta en Ranunculus
acris ontwikkelen
en bieden
ook levensmogelijkheden voor het Paars zinkviooltje dat alleen op bodems
met een matig
zinkgehalte kan groeien. Op vochtige bodem is ook aanwezig een zinkresistent
ecotype van
Arabidopsis halleri. De door Piet Kakes (Genetica 51, 135-142. 1979) beschreven
bastaard
tussen het Paars zinkviooltje en het Akkerviooltje was op de oorspronkelijke
vindplaats
verdwenen, blijkbaar door verandering van het landgebruik van akkerland naar
een weiland
aan de bovenrand van de "Bleikuhle".

Foto 1: De Bleikuhle in Blankenrode, de groeiplaaats
van het Paars Zinkviooltje in de meer
gesloten vegetetatie. Op de bodem met weinig vegetatie staan de pionierstadia
van de
metaal-vegetatie met Silene vulgaris en Minuartia
verna. (Foto: Dr. M.N.B.M.
Driessen)
Twee km ten zuiden van de Bleikuhle ligt het NSG "Galmeiwiese" waar zich zware metalen uit de verwerking van de ertsen bij de "Bleikuhle" op de overstroomde oever van de Wäschebach hebben afgezet. De door de beek meegevoerde zaden hebben geleid tot het 3 ontstaan van een metaalvegetatie, vergelijkbaar met het totstandkomen van de metaalvegetatie in het Geuldal. Op de "Galmeiwiese" heeft de lagere metaalconcentratie van de bodem de groei van grassen zodanig gestimuleerd dat de zeer schaduw-gevoelige Zinkveldmuur hier niet groeien kan. Ook is de dominantie van Hallers zinkkers en het Paars zinkviooltje gedurende de laatste 30 jaar achteruitgegaan.
Op de niet onder natuurbescherming staande koper- en mangaanrijke Jittenberg bij Marsberg groeit ten gevolge van de mobiliteit en het lage water-vasthoudende vermogen van de leisteen alleen een koper-en mangaan-resistent ecotype van Silene vulgaris en op minder koper-en mangaanrijke grond Ruwe berk en Grove den waarvan de groeivorm en de kleine bladeren koper-toxiciteit laten zien. Verzamelaars van stenen met uitbloeiend koper, mangaan, ijzer en zwavel kwamen hier volledig aan hun trekken. Op stenen met veel azuriet en malachiet hebben zich tussen de minder koperrijke vlaktes korstmossen gevestigd behorend tot een Acarosporetum sinopicae. Op de koperarme stenige grond stond veel Galeopsis angustifolia.
Kalkgraslanden
Gedurende de excursie zijn twee kalkgraslanden bezocht die één
keer per jaar in de late
herfst of winter door een doortrekkende kudde schapen beweid worden. Het
kalkgrasland van
de NSG Wulsenberg staat op Zechsteinkalk. Naast typische vertegenwoordigers
van het
kalkgrasland vonden wij als bijzondere soorten Galium
pumilum, Helianthemum nummularium, Koeleria pyramidata, Orchis mascula en Thymus
praecox. Op een
afstand van
minder dan een meter verandert het kalkgrasland op de zure zandsteen in een
grasland met
Struikhei en Ruwe smele en in de ondergroei mossen en korstmossen. De smalle
overgangszone was gekenmerkt door Lathyrus linifolius. Op zure Karboonzandsteen-rotsen
die tussen het kalkgrasland als eiland uitsteken, groeien Asplenium
septentrionale,
Rhizocarpon geographicum en Lecidea- en Lecanora-soorten.

Foto 2: De klim naar de top van de Wulsenberg door het kalkgrasland
met uitstekende rotsen
van zure zandsteen (Foto: Dr. M.N.B.M. Driessen)
In het iets zuidelijker gelegen NSG Hölling-Iberg was het kalkgrasland op Zechsteinkalk gekenmerkt door een dominantie van Sesleria albicans met daartussen Campanula persicifolia, Carex digitata, Carex humilis, Cirsium acaule, Gentianella germanica, Hippocrepis comosa en Polygala comosa en een keur van orchideën: Epipactis atrorubens, Gymnadenia conopsea, Ophrys insectifera, Orchis militaris en Platanthera chlorantha. Heel bijzonder was een relatief grote propulatie van Orchis tridentata, die hier aan de westgrens van haar Middeneuropees areaal is. Op de zgn "schuimkalk"-rotsen stond veel Asplenium ruta-muraria en in de kalksteen hadden zich Verrucaria-soorten ingeboord. De kleine puinhellingen stonden vol met Anthyllis vulneraria, Clinopodium acinos. Helianthemum nummularium en Vincetoxicum hirundinaria.
Karstkwel-vegetatie
Het NSG Almequellen was het enige NSG dat over een weg voor het publiek opengesteld
was. Door de hoge wateraanvoer (400 liter per seconde) van veel kleine karstkwellen
blijft de
watertemperatuur laag zodat zich Cochlearia pyrenaica als glaciaalrelikt
kan handhaven.
Helaas wordt de populatie van het Pyreneen-lepelblad door de toenemende stikstofeutrofiëring
bedreigd, veroorzaakt door het omringende landbouwgebied. Een teken hiervoor
is de aanwezigheid van het eutrofe Watervalmos (Rhynchostegium
riparioides).
Het snel
stromende beekje dat het water uit het kwelgebied afvoert was bedekt met
grote tapijten van
de ondergedoken groeivorm van Kleine waterebbe (Berula
erecta f. submersa).
Loofbossen
Naast voedselrijke elzenbossen op de oevers van bergbeken waren de hellingbossen met veel rotsblokken heel interessant. In het NSG Almequellen was de kruidenlaag van het warmteminnende hellingbos met Acer pseudoplatanus, Fagus sylvatica, Tilia platyphyllos,
Ulmus glabra en Ulmus minor gekenmerkt door Anemone hepatica,
Festuca altissima,
Galium sylvaticum, Lunaria rediviva en Pulmonaria obscura. De
rotsen waren begroeid met
Asplenium trichomanes en Cystopteris fragilis.
Het rotsrijke hellingbos in het NSG Leitmarer Felsen op Zechsteinkalk had naast Cephalanthera damasonium en Neottia nidus-avis een zeer open kruidenlaag met Ajuga genevensis, Atropa bella-donna, Carex digitata, Daphne mezereum en Hordelymus europaeus.
Op vochtige tot natte plekken in de loofbossen bij Blankenrode was een goede varenvegetatie ontwikkeld met Dryopteris carthusiana, D. dilatata, D. filix-mas, Gymnocarpium dryoteris en Oreopteris limbosperma. Aan de rand van de bossen groeiden als bijzondere soorten Circaea alpina, Carex strigosa en Lathyurus vernus. In het montane hellingbos van het NSG Ramsbecker Wasserfall bij Elpe viel de beschadiging van de jonge beukenbladeren door larven en kevers van de Beukenspringkever (Rhynchaenus fagi) op. Hij heeft hier voldoende fijnsparren om te overwinteren.
In het voorjaar verplaatst hij zich naar de beuken. Naast Cardamine amara, Cardamine bulbifera,Chrysosplenium oppositifolium en veel blad- en levermosssen was dit bos vooral interessant door zijn paddestoelen: veel vruchtlichamen van Echte tonderzwam (Fomes fomentarius) en Waslakzwam (Gonoderma pfeifferi) op oude beukenstammen, grote populaties van de Paardenhaartaailing (Marasmius androsaceus) op afgeworpen naalden van fijnspar, een Hymnenoscyphus-soort op gevallen bladeren van Gewone esdoorn en het Wimperzwammetje (Scutellinia scutellata) op de kale vochtige bosbodem. Helaas hadden wij geen vergunning om naar de groeiplaats van Viola biflora, een glaciaalrelikt, te gaan. Wij moesten volstaan met een algemene indruk van de waterval als microhabitat voor dit Tweebloemige viooltje.
Op de Eifelexcursie 2003 was voorgesteld in 2004 naast een meerdaagse excursie ook enkele eendaagse excursies te houden om meer leden in de gelegenheid te stellen deel te nemen. Helaas heeft dit experiment niet het beoogde resultaat gehad. Zelfs de meerdaagse excursie in de omgeving van Oostvoorne trok zo weinig belangstelling dat zij uiteindelijk in een eendaagse omgezet is.
Met slechts vijf deelnemers begon de excursie bij regenachtig weer, maar vanaf de middag scheen de zon volop. Vanuit de ingang Oase wandelden wij langs een beukenbos op de oude strandwal en door een duineikenbos daarachter naar de open duintjes op licht verzuurd duinzand. Onder de vele soorten van duinéénjarigen waren grote populaties van Aphanes inexpectata en Teesdalia nudicaulis te vinden. Als bijzondere meerjarige is de prolifere vorm var. vivipara van Poa bulbosa te noemen. De voorjaarspaddestoelen waren vertegenwoordigd met Morchella esculenta, Rhodophyllus aprilis en Tulostoma brumale. Op een verweerde boomstam van de Gewone esdoorn stonden vele vruchtlichamen van het Viltig judasoor (Auricularia mesenterica). Talrijk waren de gallen op eik, zoals de Aardappelgal (Biorhiza pallida), Knikkergal (Andricus kollari) en Eikenroos (Andricus fecundator), en in bloeiwijzen het Besgalletje (Neuroterus quercusbaccarum). De aantasting van planten door herbivoren zoals de Groene Eikebladroller (Tortrix viridana) en de Eikebladrolkever (Attelabus nitens) op Zomereik, de Meidoornstippelmot (Yponomeuta padella) op Eenstijlige Meidoorn en de Jakobsvlinder (Tyria jacobaeae) op Jakobskruiskruid was bijzonder laag.
Aardappelgal (Biorhiza pallida)
Bij buiig weer met donder en hagel zijn wij met zeven deelnemers vanuit Nijverdal naar de Sallandse heuvelrug gewandeld. De epifytenflora op de straatbomen in Nijverdal is met zeven korstmos- en twee mossoorten relatief soortarm. Van de wegbermflora vonden wij met Anthoxanthum aristatum een indicator van oude roggenakkers. Kort voor de beklimming van de Noetseler Berg gaf een pittige regenbui ons ruime gelegenheid over de evolutie van elaiosomen (o.a. bij Chelidonium majus, Claytonia sibirica, Moehringia trinervia en Viola reichenbachiana), hydathoden (bij grassen en viooltjes) en het ontstaan van bastaarden van Zomer- en Wintereik, Gewone vlier en Peterselievlier te discussiëren. In de ondergroei van de bossen op de arme zandbodem van de stuwwal is Leucobryum glaucum een goede indicator voor de verzuring. Kort voor de volgende plensbui hadden wij nog een prachtig uitzicht over de IJsselvallei tot Zwolle en de Reggevallei richting Almelo. De waterondoorlatende bodem laat zelfs op de bergtop vochtige heide groeien, maar zorgt ook voor veel erosie die na de grote regenbuien goed op gang kwam.
Na een korte afdaling naar de Rietslenk bereikten wij een plek met oude Jeneverbesstruiken; het gebrek aan jonge planten initieerde een discussie over de betekenis van brand bij het beheer van deze Jeneverbesbestanden. De terugweg over Heuvers veld bracht ons door een heide met veel oude en niet erg vitale exemplaren Struikheide en uiteindelijk via een arm eikenbos terug naar Nijverdal. Ofschoon het weer niet meewerkte was het toch een aantrekkelijke excursie.
Het eerste gedeelte van deze excursie met negen deelnemers werd gekenmerkt door onweer en veel regen. Na een wandeling door een deel van het vroegere arboretum Strypemonde met een reeks aangeplante exoten zoals Moeraseik (Quercus palustris), bereikten wij de Schapenwei met uitgebreide populaties van Anagalllis tenella en veel uitgebloeide orchideeën, waaronder Groenknolorchis (Liparis loeselii). Interessant was ook een vondst van Bonte paardenstaart (Equisetum variegatum). In enkele bomtrechters bloeide Loos blaasjeskruid (Utricularia australis) rijkelijk, wat de vraag opwierp hoe deze soort – die nooit zaden zet – zich over grote afstand weet te verspreiden: de dichtsbijzijnde vindplaatsen liggen 100 km verderop. De rijkdom van dit mooie natuurgebied kwam door het slechte weer iets minder tot uiting.
Langs dichte bestanden van Vlier en Duindoorn bereikten wij de Slikken van
Voorne, het nieuwe groene strand. De grote voedselrijkdom laat bij vele soorten
reuzengroeivormen ontstaan zoals bij Atriplex prostrata, Salicornia europaea,
Trifolium fragiferum en Triglochin maritima.
Rond de middag stopte de regen en werd het droog en zonnig zodat wij konden
genieten van de duinvallei-flora van het Parnassia-vlak, met veel exemplaren
van Epipactis palustris, Gentianella amarella, Dactylorhiza incarnata, Parnassia
palustris, en Liparis loeselii. Deze bijzondere plek is na 1966
snel verzoet door de aanleg van de Brielse Gatdam, en werd 10 jaar geleden van
struweel ontdaan en sindsdien jaarlijks gemaaid. Plaatselijk treedt Pedicularis
palustris talrijk op, terwijl op drogere plaatsen twee nieuwe populaties
van Pyrola rotundifolia zich fraai bloeiend aan ons vertoonden.
Vandaar gingen we naar het gedeelte waar sinds meer dan 10 jaar een permanente begrazing door paarden, pony’s en Gallowayrunderen plaatsvindt. Dat zo’n beheer tot een verarming van de flora leidt werd goed zichtbaar in de Vliegveldvallei, waar van de eerder geziene soorten slechts relict populaties werden gevonden. Het centrale deel van het eertijds zo fraaie terrein – zeker vergelijkbaar met de Schapenwei – was thans vertrapt en zag en nu uit als een Dotterbloemgrasland. Aan de noordkant van het gebied bezochten we de Gentianenvallei. Als herstelmaatregel werd 10 jaar geleden de begroeiing – vol orchideeën en inderdaad Slanke gentianen – geplagd, maar helaas veel te diep: geen van de oorspronkelijke soorten heeft zich opnieuw weten te vestigen, alleen Oeverkruid komt plaatselijk vrij veel voor.
Op de terugweg zagen we de weinig geslaagde duinbossen met populieren en esdoorns, en het ontbreken van echte bosondergroei; daarvoor in de plaats vestigden zich soorten die door dieren worden verspreid: klit, agrimonie, nagelkruid. In de heemtuin bij het bezoekerscentrum "Tenellaplas" viel de grote biodiversiteit op die hier bijeengebracht is. Deze tuin werd 50 jaar geleden door Cees Sipkes aangelegd, en is nog steeds een van de mooiste in zijn soort. Een bijzonderheid ter plekke was het optreden van Orobanche gracilis (een parasiet van rolklaver) die normaliter veel zuidelijke voorkomt.
Met dank voor de gastvrijheid van Nelleke en Ruud van der Meijden werd de excursie
afgesloten met een heerlijke barbecue en onder het genot van in Oostvoorne gekweekte
en prima rijpe druiven.